Wie zijn de "superieure autoriteiten" van Romeinen 13:1?

“De duivel heeft er voor gezorgd, dat godsdienstige dwepers dezen tekst hebben aangegrepen om de menschen te doen gelooven, dat de "hooge overheden" die menschen zijn, die de officieele posities in de regeering dezer wereld bekleeden”

De Wachttoren, Augustus 1936, blz. 100

Samenvatting:

Het Wachttoren Genootschap heeft meerdere malen nieuwe inzichten ontvangen aangaande de "superieure autoriteiten". Dit veranderde begrip was zeer wezenlijk voor de bijbeluitleg, en had verstrekkende gevolgen voor de individuele Jehovah's Getuigen. Wie niet de zienswijze van het Genootschap deelde werd bovendien in harde bewoordingen als volgeling van Satan veroordeeld. De inzichten verkreeg men naar eigen zeggen van God zelf. Dit artikel zet de veranderingen op een rij.


Inhoudsopgave

1. Inleiding
2. De huidige uitleg
3. De uitleg vóór 1929
4. Hoe het sinds 1929 verkondigd werd
5. Wachttoren hypocrisie
6. Samenvatting en conclusies

1. Inleiding

Wanneer het Wachttoren Genootschap een bepaalde zienswijze aanpast, wordt dit verklaard met de term "progressief begrip", of "progressieve onthulling". Het licht gaat volgens Spreuken 4:18 steeds helderder schijnen, en daarom zijn aanpassingen nodig, en wordt het begrip steeds vollediger, zo luidt de officiële lezing. Het is tevens het bewijs dat Jehovah's geest de organisatie leidt.

Eén van de duidelijkste voorbeelden van hoe dit "progressief begrip" in de praktijk werkt, en hoe dit een bestaande leer die als absolute waarheid werd verkondigd volledig op z'n kop kan zetten, wordt duidelijk door het in 1962 herziene begrip ten aanzien van de interpretatie van Romeinen 13:1, wie men moet verstaan onder de "superieure autoriteiten". Tot 1962 leerde het Wachttoren Genootschap dat deze "superieure autoriteiten" Jehovah en Jezus Christus waren, en níet de aardse regeringen. Vervolgens ging het roer radicaal om, en kwam men tot de conclusie dat tóch de regeringen van deze wereld bedoeld werden.

Wanneer we de ontwikkeling van dit begrip door de Wachttoren-organisatie nader gaan bekijken, valt pas op hoe groot een dergelijke verandering voor het hele geloofssysteem is, en, bovendien, dat het feitelijk niets anders is dan een terugkeer naar een begrip dat men vóór die tijd er ook al op na had gehouden.

Om na te gaan wat "progressieve onthulling" of "progressief begrip" voor het Wachttoren Genootschap betekent, wat men onder "absolute waarheid" verstaat en hoe men hiervoor met de historische feiten omgaat, zijn de feiten op een rijtje gezet.

Is het juiste begrip van deze tekst van belang? Het Wachttoren Genootschap beschouwt de juiste uitleg van deze tekst als niet minder dan één van de kenmerken van de ware religie:

"Identificerende kenmerken van degenen die Gods steun genieten

(...) Zij zijn onderworpen aan menselijke regeringen en blijven toch neutraal. Wie niet „onderworpen [is] aan de superieure autoriteiten” kan niet verwachten Gods steun te genieten. Waarom niet? Omdat ’de bestaande autoriteiten door God in hun relatieve posities zijn geplaatst. Wie zich daarom tegen de autoriteit verzet, heeft zich tegen de regeling van God gesteld’ (Romeinen 13:1, 2)."

De Wachttoren, 1 juni 2001, blz. 15

2. De huidige uitleg

Hieronder volgt de uitleg over de herziening van het begrip van de "superieure autoriteiten" uit het boek "Jehovah's Getuigen -Verkondigers van Gods Koninkrijk", de officiële geschiedschrijving van Jehovah's Getuigen, zoals die door het Wachttoren Genootschap zélf wordt uitgegeven. Op bladzijde 146-147 vinden we het volgende:

"Het licht schijnt steeds helderder

Zoals in hun hedendaagse geschiedenis wordt weerspiegeld, is de ervaring van Jehovah’s Getuigen als die welke in Spreuken 4:18 wordt beschreven: „Het pad van de rechtvaardigen is als het glanzende licht, dat steeds helderder wordt tot de dag stevig bevestigd is." Het licht heeft progressief geschenen, juist zoals het licht van de vroege ochtendschemering plaats maakt voor de zonsopgang en het volle licht van een nieuwe dag. Daar zij de aangelegenheden bezagen in het licht dat hun ter beschikking stond, hebben zij soms onvolledige en zelfs onnauwkeurige denkbeelden gehad. Hoezeer zij ook hun best deden, zij konden bepaalde profetieën eenvoudigweg niet begrijpen tot deze in vervulling begonnen te gaan. Terwijl Jehovah door middel van zijn geest meer licht op zijn Woord heeft geworpen, zijn zijn dienstknechten nederig bereid geweest de noodzakelijke aanpassingen aan te brengen.

Dat progressieve begrip was niet beperkt tot de vroege periode van hun hedendaagse geschiedenis. Het gaat tot op de dag van vandaag voort. In 1962 bijvoorbeeld kwam er een herziening van het begrip betreffende „de superieure autoriteiten" uit Romeinen 13:1-7.

Vele jaren lang hadden de Bijbelonderzoekers onderwezen dat „de hogere machten" (KJ) Jehovah God en Jezus Christus waren. Waarom? In The Watch Tower-uitgaven van 1 en van 15 juni 1929 werd een verscheidenheid van wereldlijke wetten aangehaald, en werd aangetoond dat wat in het ene land toegestaan was, in een ander land verboden was. Ook werd de aandacht gevestigd op wereldlijke wetten die van mensen dingen vereisten die God verboden had of die verboden wat God zijn dienstknechten geboden had te doen. Wegens hun ernstige verlangen eerbied te tonen voor de opperste autoriteit van God, scheen het de Bijbelonderzoekers toe dat „de hogere machten" Jehovah God en Jezus Christus moesten zijn. Zij gehoorzaamden nog steeds aan wereldlijke wetten, maar de nadruk lag erop dat gehoorzaamheid aan God op de eerste plaats kwam. Dat was een belangrijke les, een les die hen sterkte gedurende de jaren van wereldberoering die volgden. Maar zij begrepen niet duidelijk wat Romeinen 13:1-7 inhield.

Jaren later werd de schriftplaats opnieuw zorgvuldig onderzocht, alsmede de context en de betekenis ervan in het licht van de hele verdere bijbel. Als gevolg hiervan werd in 1962 erkend dat „de superieure autoriteiten" de wereldlijke regeerders zijn, maar met behulp van de Nieuwe-Wereldvertaling werd het beginsel van relatieve onderworpenheid duidelijk onderscheiden. Dit gaf geen aanleiding tot een grote verandering in de houding van Jehovah’s Getuigen ten aanzien van de regeringen van de wereld, maar wel werd hun begrip van een belangrijk gedeelte van de Schrift erdoor gecorrigeerd. Deze ontwikkeling gaf de Getuigen individueel de gelegenheid zorgvuldig te beschouwen of zij werkelijk hun verantwoordelijkheden jegens zowel God als de wereldlijke autoriteiten nakwamen. Dit duidelijke begrip van „de superieure autoriteiten" heeft als een bescherming voor Jehovah’s Getuigen gediend, vooral in die landen waar golven van nationalisme en de roep om grotere vrijheid hebben geleid tot uitbarstingen van geweld en de vorming van nieuwe regeringen."

Dit schijnt alleszins eerlijk en acceptabel te zijn. Echter, wat niet duidelijk wordt uit deze verklaring, en wat toch zéér belangrijk is gezien het doel van dit betoog, is dat dit reeds de tweede herziening van dit begrip was, en dat het zojuist door "progressieve onthulling" verkregen inzicht feitelijk niets anders was dan een terugkeer naar het standpunt dat men vóór het nu herziene inzicht er op na had gehouden. Wat ook niet duidelijk wordt in deze paar zinnen, is de voorname plaats die het -nu dus achterhaalde- begrip had gespeeld in de leer van de Wachttoren. Jarenlang werd het als niet minder dan een "boeienverbrekende Koninkrijkswaarheid" en middel om "Gods vijanden aan te vallen" gepropageerd. Dit zal zo meteen nog nader worden bekeken.

 

3. De uitleg vóór 1929

Het bovenstaande citaat uit het Verkondigersboek maakt duidelijk dat men sinds The Watch Tower-uitgaven van 1 en van 15 juni 1929 het begrip erop na had gehouden dat Jehovah en Jezus Christus de "superieure autoriteiten" of "hogere machten" van Romeinen 13:1 waren. Sinds 1962 wordt nu erkend dat „de superieure autoriteiten" de wereldlijke regeerders zijn.

Maar wat leerde men dan vóór die tijd? Merkwaardig genoeg geeft hetzelfde Verkondigersboek op bladzijde 190 het volgende antwoord:

"Destijds begrepen zij dat „de hogere machten" waarover in Romeinen 13:1-7 (KJ) wordt gesproken, de wereldse regeerders waren. In overeenstemming daarmee drongen zij erop aan achting te tonen jegens regeringsfunctionarissen. Ware christenen, aldus C. T. Russell in een bespreking van Romeinen 13:7 in het boek The New Creation (uitgegeven in 1904), „zouden vanzelfsprekend de meest oprechten zijn in hun erkenning van de groten van deze wereld, en het meest gehoorzaam aan de wetten en de vereisten van de wet, behalve waar deze in strijd bevonden zouden worden met de hemelse vereisten en geboden. Weinig of geen aardse regeerders in onze tijd zullen aanmerkingen hebben op het erkennen van een opperste Schepper en een boven alles uitgaande getrouwheid aan zijn geboden. Daarom dienen [ware christenen] te behoren tot de meest wetgetrouwen in de huidige tijd — geen opruiers, geen ruziemakers, geen vitters."

De conclusie die men in 1962 door nauwkeurig lezen van de bijbel als "progressieve onthulling" van God had ontvangen, blijkt dus niet anders te zijn dan een terugkeer naar een eerdere zienswijze! Hoe progressief is de terugkeer naar eerder verlaten standpunt te noemen?

Maar had men eerder dan niet het idee gehad dat men een dwaling zou kunnen aanhangen met het begrip zoals men dat tót 1962 had gehad? Het tegendeel blijkt waar te zijn. Ook dát begrip was van Jehovah afkomstig, zoals in het volgende gedeelte zal blijken, waar wordt aangetoond hoe men jarenlang - van 1929 tot aan 1962 - in De Wachttoren over het nu achterhaalde inzicht sprak.

 

4. Hoe het sinds 1929 verkondigd werd

Uit het Verkondigersboek blijkt niet, wat uit citaten uit De Wachttoren uit deze periode wel blijkt, namelijk hoe belangrijk het nu herziene inzicht in werkelijkheid wel niet was.

 

I.) Een openbaring van Jehovah

Hoe was men in 1929 eigenlijk aan het inzicht gekomen? Gistte men maar naar een betekenis, of werd het anders gepresenteerd? In De Wachttoren van december 1934, blz. 187 lezen we:

"In 1929 liet de Heer zijn volk duidelijk zien, wie "de overheden" vormen, en sedertdien zijn zij in staat geweest om duidelijk te erkennen dat de getrouwen Jehova en Christus Jezus, die "de overheden" zijn, moeten gehoorzamen en geen compromis met de goddelooze organisatie die de wereld regeert, welke macht niet van God verordineerd is, moeten sluiten."

En in De Wachttoren, Januari 1935, blz. 4 :

"Jehova openbaarde zijn volk de beteekenis van "de overheden" door middel van De Wachttoren in 1929, en daarna zijn de getrouwen niet gezwicht voor de bedreigingen van den vijand. Zij weten, dat Jehova en Christus Jezus de "overheden" zijn..."

En ook in De Wachttoren van november 1940 vinden we:

"Een opmerkenswaardige gebeurtenis had in 1928 plaats: God openbaarde toen aan zijn volk de waarheid betreffende de "gestelde machten", zijn getrouw volk aanwijzende, dat de "van God geordineerde machten"... geenszins slaan op de politieke elementen, die thans de wereld regeeren, doch dat Jehovah en Christus Jezus deze Gestelde Machten zijn. - Rom 13."

Het zal dus duidelijk zijn: het oude inzicht werd aan een openbaring van Jehovah zélf toegeschreven.

 

II.) Op het gebed van de "gezalfden"

Het begrip werd echter niet zomaar verkregen. Slechts na gebed van de gezalfden maakte Jehovah zijn volk, via De Wachttoren, onmiskenbaar duidelijk dat ze onder een dwaling werkten. De Wachttoren van september 1938 zegt:

"Vóór 1918 werkte God's volk onder de dwaling of het verkeerde inzicht, dat de "gestelde machten" gevormd werden door de autoriteiten van de regeeringen dezer wereld...

In dien tijd gaf het optreden der autoriteiten dezer wereld, doordat zij de vrijheid van Jehova's getuigen bij de verkondiging van de koninkrijksboodschap belemmerden, hun aanleiding, dat onderwerp aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen en zich daarvoor tot den Heer te richten; en na den Heer er om gevraagd te hebben en zijn woord nauwkeurig bestudeerd te hebben, kwam Gods volk tot de overtuiging dat de "gestelde machten" Jehova God en Christus Jezus en niemand anders zijn (Rom 13:1) ...

In de Juni-nummers van The Watch Tower heeft Jehova aan zijn volk duidelijk en onmiskenbaar bekend gemaakt, dat de "gestelde machten" God en Christus Jezus zijn..."

Het resultaat van het gebed van de gezalfden leverde achteraf gezien dus een dwaling op!

 

III.) Andere interpretatie toont gebrek aan begrip en waardering voor de Bijbel

Alleen Jehovah's getuigen begrepen het op de juiste manier. Ieder ander begrip gaf blijk van gebrek aan begrip of waardering voor de bijbel. Zo zei De Wachttoren van februari 1935 op bladzijde 21:

"In den tegenwoordigen tijd identificeren alleen Jehova's getuigen de "hoogere machten" op de juiste wijze. Zij weten en verklaren openlijk dat de "hoogere machten" gevormd worden door Jehova God en Christus Jezus. Zij wijzen op de oppermacht van Jehova en bewijzen hun bewering, zoowel door de historische feiten als door het geïnspireerde woord Gods. Een ieder die van oordeel is, dat een mensch of een groepje menschen of eenige organisatie op aarde eenig deel vormt van de "hoogere machten", welke door den apostel in Romeinen 13:1 genoemd worden, toont, dat hij God's woord niet begrijpt en waardeert."

Vanaf 1962 toonden Jehovah's Getuigen dus blijkbaar aan dat ze óf zelf de bijbel niet begrijpen en waarderen, óf dat zij als enigen de "hoogere machten" niet juist identificeerden.....

 

IV.) Een kortstondige eeuwigheid

De Wachttoren, 1 april 1946, blz. 107:

"Vanaf 1928 af had Gods geest hen geopenbaard dat "de hoogere machten", waaraan iedere Christelijke ziel onderworpen dient te zijn, niet de regerende autoriteiten dezer wereld zijn, maar dat dit tot in eeuwigheid Jehova God en Christus Jezus, Zijn "Gebieder der volkeren" zijn (Rom 13:1; King James Vert.; De Wachttoren van 1 en 15 Juni 1929; Eng uitg.) In deze kennis stonden zij standvastig ten opzichte van de juiste aanbidding van Jehova ... Daarom heeft de Almachtige God Zijn gewijd "volk voor Zijnen Naam" tot op dezen dag bewaard. Hij heeft hun recht en hun organisatie om Hem verder te dienen, gehandhaafd."

De eeuwigheid duurde nauwelijks 35 jaar. Ook de standvastigheid hield geen stand....

 

V.) Gebruikt door de Duivel

De Wachttoren, juni 1936, blz 100:

"'Ieder mens moet zich aan de hooge overheden onderwerpen.' (Rom. 13:1) De Duivel heeft er voor gezorgd, dat godsdienstige dwepers dezen tekst hebben aangegrepen om de menschen te doen gelooven, dat de "hooge overheden" die menschen zijn, die de officieele posities in de regeering dezer wereld bekleden"

De duivel en zijn godsdienstige dwepers zijn door de Wachttoren uiteindelijk in het gelijk gesteld...

 

VI.) Fundament voor de eenheid

De Wachttoren, 15 januari 1947, blz. 27:

"Thans, aan dit einde van de wereld, moet deze Christelijke eenheid worden bereikt. Zij is bereikt door Jehovah's getuigen, waarvan velen uit de talrijke religieuze organisaties zijn gekomen en anderen niet tot die organisaties behoorden, doch die zich thans, ondanks dat zij vroeger niet met elkander overeenstemden, vereenigen in den dienst van God. Hoe is deze eenheid onstaan? Hoe is de oneenigheid over ieders persoonlijke uitleg van de Heilige Schrift thans overwonnen of vermeden? Is dit geschied omdat zij zich om een zichtbare menselijke organisatie of een zichtbaren menschelijken leider hebben vereenigd? Het antwoord luidt: Neen. Deze eenheid is tot stand gekomen omdat zij Jehova God en Christus Jezus als de Gestelde Machten erkennen, waaraan iedere Christelijke ziel om des gewetenswil onderworpen moet zijn. (Rom. 13:1)"

Volgens deze uitleg blijkt de eenheid uiteindelijk dus op het fundament van een dwaling te rusten.

 

VII.) Een boeienverbrekende boodschap der waarheid die verplicht moet worden verkondigd

De Wachttoren, december 1935, blz 205:

"Voordat het volk Gods tot het inzicht kwam, wie eigenlijk de "gestelde machten" (Rom 13:1) vormen, was het beperkt en in boeien gebonden ...

Nu zij eenmaal in het licht van den tempel gebracht en door Jehova gezalfd zijn, hebben ook zij de opdracht en de macht ontvangen, "om hunne [de natiën der aarde] koningen te binden met ketenen, en hunne achtbaren met ijzeren boeien". (Ps. 149: 8) Dit is nu juist het werk, waarvoor de Heer Jehova's getuigen gebruikt en welk werk zij in de afgeloopen jaren gedaan hebben.

Gedurende de periode, die verstreken is vanaf de komst van den Heer tot den tempel tot op den huidigen dag, heeft er een verstrekkende verkondiging van de koninkrijksboodschap plaatsgehad, en in dien tijd hebben vele menschen van goeden wil, die met Jehova's getuigen sympathiseeren, maar die terzelfder tijd aan Satan's organisatie gebonden zijn en er door in knechtschap gehouden worden, de waarheid vernomen. Deze menschen van goeden wil zijn van meening, dat de gestelde machten de politieke heerschers en de godsdienstige leiders dezer wereld zijn aan welke iedere ziel onderworpen moet zijn.

Zulke menschen van goeden wil kunnen zich zoowel in als buiten de politiek-godsdienstige systemen, "kerken" genaamd, bevinden, maar zij zijn in knechtschap aan Satan's organisatie en daar blijven zij, totdat de Heer hun door zijn getuigen de boodschap der waarheid zendt; en als zij vernemen, dat Jehova de alleen ware God en Christus Jezus zijn Koning is, en dat deze beiden de "gestelde machten" zijn, aan wie zich iedere ziel te onderwerpen heeft, erkennen zij, dat de gevangenis- deuren voor hen geopend zijn en zij grijpen de gelegenheid aan om te vluchten; zij vluchten en wijden zich aan God en zijn organisatie. Dan houden zij op te zuchten en te roepen tegen de gruwelen die in Satan's organisatie bedreven worden, en zij beginnen zich te verheugen, omdat zij den weg, die hen tot vrijheid brengt, gevonden hebben. Jehova heeft zijn gezalfden getuigen opgedragen om de boodschap der waarheid aan anderen te verkondigen en hun derhalve de verplichting op gelegd om al degenen in te lichten, die bevrijd, wenschen te worden, hoe zij hun vrijheid kunnen verkregen.

Dit werk moet gedaan en voltooid worden, voordat Satan's organisatie in Armageddon verpletterd wordt. Hierdoor kan men dus erkennen, dat allen, te beginnen met Jezus Christus, die in de gezalfde groep van Jehova gebracht worden, eerst uit de gevangenis moeten bevrijd worden en vervolgens de boodschap aan anderen, die zich in de gevangenis bevinden, moeten uitdragen … dit gebod is in het geheel niet willekeurig, maar absoluut verplichtend."

Is dit nu, achteraf gezien, dus het werk waar Jehovah zijn getuigen voor gebruikte? Is dit de bevrijdende boodschap der waarheid, die absoluut verplichtend uitgedragen moest worden?

 

VIII.) Reden voor vervolging en smaad

De Wachttoren, 1 april 1948, blz 103.

"Hij is de Allerhoogste, en in overeenstemming hiermede hebben wij ons losgerukt van de religieuze overlevering betreffende "de hoge overheden". Wij beleiden thans dat Jehova God en zijn hoog verheven Zoon Christus Jezus de ware Hoge overheden zijn, die zijn geordineerd opdat alle Christelijke ziel zich aan hen zou onderwerpen. Wanneer men dit standpunt inneemt, geraakt men natuurlijk in botsing met de stelsels der politici die religieuze overleveringen gebruiken om het volk zo te verblinden dat het zich aan hen onderwerpt. - Romeinen 13:1, 2, Nw. Vertaling.

Dit is de oorzaak waarom wij worden gesmaad en zij die ons smaden, zouden ons willen opslokken en verslinden door onheil tegen ons te stichten op gezag van nationale en staatswetten."

 

IX.) Overwinning voor Jehovah's eer

Een laatste voorbeeld van het belang van deze tekst voor de leer van de Wachttoren dat hier genoemd zal worden is te vinden in De Wachttoren van 1 september 1950:

"De waarheid dat Jehova God en Christus Jezus, en niet de wereldse politici, de Hogere Machten van Romeinen 13: 1 zijn, werd sedert 1929 duidelijker gemaakt en er werd een grotere bekendheid aan gegeven, vooral door de uitgaven van De Wachttoren van 1 en 15 juni van dat jaar (Engels: in het Nederlands De Wachttoren van Augustus 1929).

De apostelen beschouwden wereldse politici niet als de "hogere machten", anders zouden zij nimmer tot hen hebben gezegd: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen," (Hand. 5 : 29; 4: 19 . Jezus deed dit evenmin; hij stelde de "overheden en machten" van handel. politiek en bedrieglijke religie, en eveneens de krachten der onzichtbare demonen, openlijk aan de kaak en ontwapende ze (Matth. 4 : 8 - 10: 6 : 19 - 21; 19 - 23. 24; 21 12. 13; 23 : 1 - 33: Luk. 13 : 31, 32; Joh. 8 : 44; 18 : 36; 19: 10, 11; Kol. 2 : 14-17, Nw. Vert.). Voor de eerste Christenen kwam er een eind aan de macht van zulke mannen, zoals er ook een eind was gekomen aan het leven van de eerstgeborenen van Egypte ten tijde van de tiende plaag, waardoor de dood van de wereldse heersers als de hogere machten" werd afgebeeld. Het dood-zijn van de tegenbeeldige eerstgeborenen ("het beginsel [of voornaamste] zijner kracht") blijkt wanneer Jehova's getuigen voor wereldse rechtbanken en autoriteiten zeggen: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen." - Deut. 21 :17.

Met deze waarheid over de ware "hogere machten" vielen Jehova’s getuigen daarom sedert 1928 de huidige Midianieten aan, en met deze waarheid verbraken zij de banden die hen eens, zelfs in aangelegenheden die met de aanbidding in verband stonden, onrechtmatig in onderworpenheid hielden, aan de heersers der wereld, daar zij toen nog dachten dat zulke heersers "van God geordineerd waren. Door de kennis dat God en Christus de Hogere Machten zijn, werd de macht die wereldse autoriteiten in verband met de aanbidding van Jehova over Christenen uitoefenden, volkomen verslagen en te niet gedaan. Sinds de tijd dat zij deze waarheid begrijpen, roepen zij vrijmoedig hun strijdkreet uit: "Het zwaard van Jehova en van zijn Gezalfde!

Deze oude wereld en haar leiders bevinden zich in een even diepe duisternis als die welke tijdens de negende plaag over Egypte lag, en het betrekkelijk kleine aantal getuigen Jehova's omringt dit wereldse kamp en dringt het binnen. …

De gezalfden worden vergeleken met aarden vaten waarin het kostbare, op een schat gelijkende licht wordt bewaard, en ten einde dit licht te laten schijnen, verbruiken zij gewillig hun lichamelijke krachten en laten deze zelfs in de dood gebroken worden gelijk verbrijzelde kruiken van leem. Doch hun als voorbeeld dienende handelwijze blijft schijnen en het licht neemt toe. - Gen. 4 :10; Ps. 47: 2; 69 : 10; 119 : 105; 150 : 3; Jes. 58 : 1; 60: 1. 2; Jer. 50 15; Matth. 5 : 14 - 16; 1 Kor. 14 : 8, 9; 2 Kor. 4 : 6. 7; Hebr. 11 : 4.

Wereldse mensen zouden kunnen denken dat Jehova's, getuigen voor de bediening van het evangelie even armzalig zijn toegerust als soldaten die voor een vleselijke krijg met fakkels, kruiken en hoorns zouden zijn uitgerust. …

Doch wanneer de getuigen beginnen te spreken en het licht laten schijnen dat uit de Bijbel komt, geraakt de vijand in verwarring en geheel van streek, terwijl hij geen stand kan houden tegen de bekendgemaakte waarheden (Joh. 7: 15; Hand. 4 :13). …

Uit de Bijbel bewezen de getuigen dat wereldleiders zich hadden meester gemaakt van een positie die God en Christus toebehoort, en door de vrijmoedigheid waarmede zij dit onthulden, en het onvermogen van de vijand er iets tegen in te brengen en zijn positie te handhaven, werden anderen die dit opmerkten, er toe gebracht in te zien dat Satans handlangers zich niet in hun positie als de "hogere machten" te bestaan en zij vertelden het anderen die op hun beurt nog meer mensen in kennis stelden van deze waarheid, waardoor de "hogere machten" fabel, die door de onderdrukkende heersers werd verbreid, als door een steek met een zwaard werd doorboord"

Zélfs de apostelen, Jezus Christus en de eerste Christenen beschouwden de wereldse regeerders niet als de "superieure autoriteiten, zo weet De Wachttoren hier nog te melden. Let op de enorme aantallen aangehaalde teksten om deze "bijbelse waarheid" te ondersteunen. Het blijkt dat "de gezalfden" in staat zijn om werkelijk alles uit de bijbel te "bewijzen".

(De bovenstaande voorbeelden zijn er slechts enkele van een lange lijst, welke ter wille van de lengte niet geplaatst zijn)


5. Wachttoren hypocrisie

Uiteindelijk kwam in 1962 dus de herziening van het begrip (en keerde men feitelijk weer naar het standpunt van vóór 1929 terug). De Wachttorens van begin 1963 waren voor een groot gedeelte gewijd aan het "nieuwe licht".

De Wachttoren, 15 februari 1963, blz 118:

"In gehoorzaamheid aan Romeinen, hoofdstuk dertien, zullen wij onderworpen blijven aan de "bestaande autoriteiten", totdat ze in de komende strijd van Armageddon vernietigd zullen worden. Wij zullen ons, ongeacht welke politieke partij aan de macht is of welke politieke groepering zichzelf met geweld naar de top werkt, aan hen onderwerpen."

Wie hadden dat jarenlang dus niet gedaan? Wie waren duidelijk niet gehoorzaam geweest aan Romeinen, hoofdstuk 13, en hadden zelfs verkondigd dat de "hogere overheden" uit de duivel waren? Maar alsof het jarenlang verkondigen van een dwaling nog niet genoeg was, kreeg het Wachttoren Genootschap het zelfs nog voor elkaar om anderen te beschuldigen van de zaken waar ze zich zelf op zeer grove wijze aan had bezondigd:

De Wachttoren, 1 februari 1963, blz 81:

"Religieuze organisaties in de christenheid hebben zich schuldig gemaakt aan verzet tegen Gods regeling. Op welke wijze? Door zich tegen de toegestane autoriteiten te verzetten in plaats van zich aan hen te onderwerpen. Op welke wijze? Door zich in de politiek te begeven en pogingen te doen een toppositie in de Staat te bekleden en deze te overheersen... Zij hebben geprobeerd de politieke "hogere machten" de baas te zijn, in plaats van zich als ware christenen aan hen te onderwerpen... Zij hebben opstanden ontketend tegen niet-katholieke staten en hebben de leiding genomen bij het omverwerpen van regeringen die niet de goedkeuring van de Kerk hadden. ...En toch noemt de Rooms-Katholieke Kerk zich de Bruid van Christus en beweert aan zijn bevelen onderworpen te zijn, zoals deze via Paulus in Romeinen 13:1, 2 (NW) en via Petrus in 1 Petrus 2:13-17, 21-24 (NW) zijn verschaft. Thans ontvangt de Rooms-Katholieke Kerk een haar toekomend oordeel"

Een duidelijker voorbeeld van absolute hypocrisie is waarschijnlijk nauwelijks denkbaar.

 

6. Samenvatting en Conclusies

Het belang van de achtergronden van een wijziging als die van het begrip van Romeinen 13:1 is natuurlijk niet zo zeer de wijziging op zich. Het werkelijke belang schuilt in de zekerheid waarmee men iets kan verkondigen, de bewijzen die men er voor kan overleggen, hoe men het verbeterde begrip aan God zélf toeschrijft, als bewijs van leiding door zijn Geest aan zijn "gezalfden", en hoe men vervolgens opeens radicaal het tegenovergestelde kan beweren, met exact dezelfde argumenten. Vervolgens is men bovendien nog in staat om anderen verwijten maken over iets wat men jarenlang zelf als absolute waarheid propageerde.

Jarenlang was deze tekst goed om de kerken en de geestelijkheid aan te vallen op hun verkeerde begrip, was het een boeienverbrekende waarheidsboodschap die verplicht verkondigd moest worden, was het een reden voor smaad. Jarenlang begrepen alleen Jehovah's getuigen deze tekst op de juiste wijze, en was een andere interpretatie een gebrek aan begrip en waardering voor de bijbel. Jarenlang gold het als een openbaring van God op het gebed van zijn gezalfden, die een eind maakte aan een dwaling.

Sinds 1962 weten de getuigen dat ze zelf degenen waren op wie hun eigen, voor anderen bedoelde woorden betrekking hadden.

Wat zeggen deze wijzigingen van inzichten, en de manier op deze gepresenteerd worden ons over de betrouwbaarheid van bijbeluitleg van het Wachttoren Genootschap? Is dit het licht dat God steeds helderder doet schijnen?

"Het is een ernstige zaak om God en Christus op een bepaalde manier voor te stellen, dan te ontdekken dat ons begrip van de voornaamste leringen en fundamentele leerstellingen van de Schrift verkeerd was, en daarna weer tot dezelfde leerstellingen terug te keren waarvan wij, door jarenlange studie hadden vastgesteld dat ze onjuist zijn. Christenen kunnen niet weifelen - 'zwak staan' - ten aanzien van zulke fundamentele leringen. Wat voor vertrouwen kan men in de oprechtheid of het oordeel van dergelijke personen stellen?"

De Wachttoren, 1 november 1976, blz. 668

Gerelateerd