De Tijden der Heidenen opnieuw beschouwd

door Carl Olof Jonsson

INLEIDING


HET ONTNUCHTERENDE en soms dramatische proces dat resulteerde in de beslissing deze verhandeling uit te geven, zou een heel boek kunnen vullen. Uit het oogpunt van ruimte, kan die achtergrond hier echter slechts kort worden aangeroerd.

Jehovah's Getuigen wordt geleerd groot vertrouwen in het Wachttorengenootschap en haar leiderschap te stellen. Tegen het einde van de zesentwintig jaar waarin ik een actieve Jehovah's Getuige was, waren de aanwijzingen dat een dergelijk vertrouwen misplaatst was echter onmiskenbaar geworden. Tot het allerlaatst heb ik gehoopt dat de leiders van de organisatie de feiten met betrekking tot hun chronologie eerlijk onder ogen zouden zien, zelfs al zouden die feiten rampzalig zijn voor enkele van hun centrale doctrines en unieke aanspraken van hun organisatie. Maar toen ik mij tenslotte realiseerde dat de leiders van het Genootschap — klaarblijkelijk vanwege organisatorisch of "ecclesiastisch" beleid — vastbesloten waren om vol te houden wat uiteindelijk neerkomt op het misleiden van miljoenen mensen, door middel van het achterhouden van informatie die zij als ongewenst beschouwden en beschouwen, zag ik geen ander middel dan mijn bevindingen te publiceren en aldus een ieder die om waarheid geeft, de kans te geven het bewijsmateriaal te beschouwen en zijn of haar eigen conclusies te trekken.

Een ieder van ons is verantwoordelijk voor wat we weten. Als iemand informatie voorhanden heeft die anderen nodig hebben om tot een juist begrip te komen van hun positie in het leven — informatie die bovendien wordt achtergehouden door hun religieuze leiders — zou het moreel onjuist zijn als hij zou blijven zwijgen. Het wordt zijn of haar plicht die informatie beschikbaar te stellen aan allen die de waarheid willen weten, ongeacht wat deze blijkt te zijn. Dat is de reden waarom dit boek is uitgegeven.


De rol van chronologie in de leerstellingen van het Wachttorengenootschap

Weinig mensen zijn volledig op de hoogte van de zeer centrale rol die chronologie speelt in de aanspraken en leerstellingen van het Wachttorengenootschap. Zelfs veel Jehovah's Getuigen zijn zich niet volledig bewust van het onverbrekelijke verband tussen de chronologie van het Genootschap en de boodschap die zij van huis tot huis verkondigen. Wanneer ze worden geconfronteerd met de vele bewijzen tegen hun chronologie, zijn sommige Jehovah's Getuigen geneigd deze te bagatelliseren als iets waar zij ook goed buiten kunnen. "Chronologie is eigenlijk helemaal niet zo belangrijk", zeggen ze. Veel Getuigen spreken liever helemaal niet over het onderwerp. Maar hoe belangrijk is de chronologie dan precies voor de Wachttoren-organisatie?

Een beschouwing van het feitenmateriaal toont aan dat de chronologie het fundament vormt van de aanspraken en de boodschap van deze beweging.

Het Wachttorengenootschap maakt er aanspraak op Gods "unieke kanaal" en "woordvoerder" op aarde te zijn. Hier volgt een opsomming van haar meest onderscheidende leerstellingen: men neemt aan dat Gods koninkrijk in de hemel werd opgericht in 1914, dat de "laatste dagen" in dat jaar begonnen, dat Christus toentertijd onzichtbaar terugkwam om de Christelijke denominaties te "inspecteren" en dat hij ze uiteindelijk allemaal verwierp, met uitzondering van het Wachttorengenootschap en haar aanhangers, welke hij in 1919 aanstelde als zijn unieke "werktuig" op aarde.

Ongeveer zeventig jaar lang gebruikte het Genootschap Jezus' woorden in Matthéüs 24:34 over "deze generatie" om duidelijk en onvermurwbaar te onderwijzen dat de generatie van 1914 onmogelijk zou uitsterven voordat het ultieme einde kwam met de "oorlog van Armageddon", waarin elk menselijk leven behalve actieve leden van de Wachttoren-organisatie voor eeuwig zou worden vernietigd. Duizenden Jehovah's Getuigen van de "1914 generatie" verwachtten ten volle dat zij zouden blijven leven en die onheilsdag zouden overleven om dan voor eeuwig op een paradijsaarde te leven.

Met het verstrijken van verschillende tientallen jaren, 1914 steeds verder achter zich latend, werd het steeds moeilijker deze bewering te verdedigen. Nadat 80 jaar waren verstreken, werd de bewering vrijwel belachelijk. Dus werd in de Wachttoren-uitgave van 1 november 1995 (bladzijde 10 tot en met 21) een nieuwe definitie op het begrip "deze generatie" van toepassing gebracht, één die het de organisatie mogelijk maakte deze te "ontkoppelen" van de datum 1914 als startpunt. Ondanks deze monumentale wijziging handhaafde men 1914 — in feite kon men niet anders zonder hun hoofdleerstellingen met betrekking tot Christus' "tweede tegenwoordigheid" te ontmantelen, het begin van de "tijd van het einde" en de aanstelling van hun organisatie als Christus' unieke werktuig en Gods "unieke kanaal" op aarde. Hoewel men nu erkent dat "deze generatie" wordt gedefinieerd door zijn eigenschappen in plaats van door een chronologische periode (met een specifiek beginpunt), vind men toch een manier om 1914 bij hun definitie te betrekken. Men bereikte dit door in de definitie een arbitraire factor op te nemen, namelijk dat de "generatie" bestaat uit de personen "die het teken van Christus' tegenwoordigheid zien maar in gebreke blijven hun wegen te corrigeren," wat tot hun vernietiging leidt. Aangezien de officiële leer blijft dat het "teken van Christus' tegenwoordigheid" zichtbaar werd vanaf en na 1914, is het mogelijk deze datum een sleutelrol te laten spelen in de definitie van "deze generatie".

Al deze factoren getuigen van de uiterst cruciale rol die 1914 speelt in de leerstellingen van het Wachttorengenootschap. Aangezien deze datum zelf uiteraard niet in de Bijbel staat, waar komt deze dan vandaan?

Die datum is het resultaat van een chronologische berekening, volgens welke de zogenoemde "Tijden der Heidenen" waarnaar Jezus verwees in Lukas 21:24 een periode van 2.520 jaar omvatten, beginnend in 607 v.G.T. en eindigend in 1914 G.T.[1] Deze berekening is de werkelijke basis van de hoofdboodschap van de beweging. Zelfs van het Christelijke evangelie, het "goede nieuws" van het koninkrijk (Matthéüs 24:14) beweert men dat het nauw samenhangt met deze chronologie. Het evangelie dat door andere belijdende Christenen wordt verkondigd, is daarom nooit het ware evangelie geweest. Zo zei De Wachttoren van 1 augustus 1981, op pagina 17:

Laten rechtgeaarde mensen de prediking van het evangelie van het Koninkrijk zoals de religieuze stelsels van de christenheid dit gedurende alle eeuwen hebben gedaan, vergelijken met de prediking die Jehovah's Getuigen sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 hebben verricht. De prediking is in beide gevallen verschillend van aard. Wat Jehovah's Getuigen prediken, is werkelijk "evangelie" of "goed nieuws" over Gods hemelse koninkrijk dat werd opgericht doordat zijn Zoon Jezus Christus aan het einde van de tijden der heidenen in 1914 op de troon werd geplaatst. [Mijn cursivering.]

In overeenstemming hiermee, stelde De Wachttoren van 15 juli 1982 dat "van alle religies op aarde ... Jehovah's Getuigen in deze tijd de enigen [zijn] die de mensen op aarde dit "goede nieuws" vertellen." (Pagina 14). Een Jehovah's Getuige die de rol van de chronologie in de leer van het Genootschap tracht af te zwakken, realiseert zich eenvoudig niet dat hij of zij daarmee de hoofdboodschap van de beweging ondermijnt. Een dergelijk "afzwakken" wordt niet gesanctioneerd door het leiderschap van de Wachttoren. Integendeel, De Wachttoren van 1 april 1983, pagina 11, benadrukte dat "er nog steeds een hechte historische basis bestaat voor de fundamentele Koninkrijkswaarheid dat de tijden der heidenen in de laatste helft van 1914 eindigden. Dit is een van de waarheden waaraan wij in deze tijd moeten vasthouden."[2]

De harde realiteit is dat het Wachttorengenootschap het verwerpen van de chronologie die naar 1914 wijst, beschouwt als een zonde met fatale gevolgen. Van de oprichting van Gods koninkrijk aan het einde van de "Tijden der Heidenen" in 1914 stelt men dat het een "gebeurtenis [is] die als het belangrijkste voorval van onze tijd boven alles uitsteekt en waarnaast al het andere verbleekt tot iets onbeduidends."[3] Van degenen die de berekening verwerpen, wordt gezegd dat zij zich blootstellen aan de gramschap van God. Onder hen bevinden zich "de geestelijken van de christenheid" en haar leden, van wie, aangezien zij die datum niet onderschrijven, wordt gezegd dat zij Gods koninkrijk hebben verworpen en daarom "zullen zij in de zeer nabije "grote verdrukking" worden vernietigd."[4] Leden van Jehovah's Getuigen die openlijk twijfelen aan de berekening of deze naast zich neerleggen, lopen het risico van zeer ernstige behandeling. Als zij geen berouw hebben en zich bedenken, zullen ze worden uitgesloten en worden geclassificeerd als snode "afvalligen", die "bij de dood... naar Gehenna" gaan, zonder enige hoop op een toekomstige opstanding.[5] Het maakt geen verschil of hij nog steeds gelooft in God, de Bijbel en Jezus Christus. Toen een van de lezers van De Wachttoren schreef en vroeg: "Waarom hebben Jehovah's Getuigen sommigen die nog steeds belijden in God, de bijbel en Jezus Christus te geloven, uit de gemeenschap gesloten (geëxcommuniceerd) wegens afval?", antwoordde het Genootschap onder andere:

Voordat iemand door Jehovah's Getuigen als een goedgekeurde verbondene wordt beschouwd, moet hij het geheel van ware bijbelse leerstellingen aanvaarden, met inbegrip van de schriftuurlijke geloofsovertuigingen die uniek zijn voor Jehovah's Getuigen. Wat houden die geloofsovertuigingen zoal in? Dat 1914 niet alleen het einde van de tijden der heidenen en de oprichting van het koninkrijk Gods in de hemelen kenmerkte, maar ook de tijd waarop Christus' voorzegde tegenwoordigheid is begonnen. [Mijn cursivering.][6]

Vandaar dat iemand die de berekening dat in 1914 de "Tijden der Heidenen" eindigden verwerpt, niet door het Genootschap wordt goedgekeurd als Jehovah's Getuige. In feite heeft zelfs iemand die in het geheim de chronologie van het Genootschap vaarwel zegt en dus formeel nog als één van Jehovah's Getuigen wordt beschouwd, in werkelijkheid de kernboodschap van het Wachttorengenootschap verworpen en is, volgens de criteria van de organisatie zelf, niet langer deel van de beweging.


Hoe dit onderzoek begon

Het is voor een Jehovah's Getuige geen gemakkelijke aangelegenheid te twijfelen aan de geldigheid van deze fundamentele profetische berekening. Voor veel gelovigen, in het bijzonder binnen gesloten religieuze systemen zoals de Wachttoren-organisatie, fungeert het doctrinaire systeem als een soort "vesting" waarbinnen men bescherming kan vinden, in de vorm van geestelijke en emotionele zekerheid. Wanneer enkele onderdelen van die doctrinaire structuur worden betwijfeld, reageren zulke gelovigen meestal emotioneel; ze nemen een defensieve houding aan, omdat ze bespeuren dat hun "vesting" onder vuur ligt en dat hun zekerheid wordt bedreigd. Dit verdedigingsmechanisme maakt het zeer moeilijk voor hen om te luisteren en de argumenten die op de kwestie betrekking hebben objectief te onderzoeken. Onbewust is hun behoefte aan emotionele zekerheid belangrijker voor hen geworden dan hun respect voor waarheid.

Om deze defensieve houding, die zo gewoon is onder Jehovah's Getuigen, te doorbreken en een open, luisterende geest te vinden, is extreem moeilijk — vooral wanneer een dusdanig fundamenteel leerstuk zoals de "Tijden der Heidenen"-chronologie wordt betwijfeld. Want daaraan twijfelen doet de grondvesten van het doctrinaire systeem van Getuigen in zijn geheel schudden en veroorzaakt daarom dat Getuigen op alle niveaus agressief verdedigend worden. Ik heb zulke reacties telkens weer ontmoet sinds ik het materiaal in dit boek in 1977 voor het eerst voorlegde aan het Besturende Lichaam van Jehovah's Getuigen.

Het was in 1968 dat de huidige studie begon. In die tijd was ik een "pionier" of fulltime evangelist voor Jehovah's Getuigen. In de loop van mijn bediening daagde een man bij wie ik een Bijbelstudie leidde mij uit de datum te bewijzen die het Wachttorengenootschap had gekozen voor de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs, namelijk 607 v.G.T. Hij wees erop dat alle historici die gebeurtenis ongeveer twintig jaar later dateerden, in 587 of 586 v.G.T. Ik was mij daarvan wel bewust, maar de man wilde de redenen weten waarom historici de voorkeur gaven aan de latere datum. Ik gaf aan dat hun datering zeker niets meer was dan een gissing, gebaseerd op onvolkomen bronnen en verslagen uit de oudheid. Zoals andere Getuigen nam ik aan dat de datering van het Genootschap van de verwoesting van Jeruzalem op 607 v.G.T. op de Bijbel was gebaseerd en daardoor niet kon worden omvergeworpen door dergelijke seculiere bronnen. Ik beloofde de man echter dat ik de zaak zou uitzoeken.

Het uiteindelijke resultaat was een onderzoek dat meeromvattend en grondiger zou zijn dan ik had verwacht. Het vond met regelmaat gedurende zeven jaar voortgang, van 1968 tot eind 1975. Tegen die tijd dwong de groeiende bewijslast tegen 607 v.G.T. mij ertoe schoorvoetend te concluderen dat het Wachttorengenootschap het bij het verkeerde eind had.

Daarna, enige tijd na 1975, werd het bewijsmateriaal besproken met een aantal intieme, onderzoek-gezinde vrienden. Aangezien geen van hen de bewijzen die door de vergaarde informatie werden geleverd, kon weerleggen, besloot ik een systematisch opgestelde verhandeling over de hele kwestie op te stellen, die ik besloot naar het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn, New York, te sturen.

De verhandeling werd gereedgemaakt en opgestuurd naar het Besturende Lichaam van Jehovah's Getuigen in 1977. Het huidige werk, dat op dat document is gebaseerd, werd herzien en uitgebreid in 1981 en in een eerste editie uitgegeven in 1983. In de jaren sinds 1983 zijn veel nieuwe vondsten en waarnemingen geweest die relevant zijn voor het onderwerp en de belangrijkste hiervan zijn in deze nieuwe editie opgenomen. De zeven lijnen van bewijsvoering tegen 607 v.G.T. zoals gepresenteerd in de eerste editie, zijn nu bijvoorbeeld verdubbeld tot veertien.


Correspondentie met het hoofdbureau van de Wachttoren

In 1977 begon ik te corresponderen met het Besturende Lichaam over mijn onderzoek. Het werd al snel duidelijk dat ze niet in staat waren het naar voren gebrachte bewijsmateriaal te weerleggen. In feite werd daartoe tot 28 februari 1980 niet eens een poging ondernomen. In de tussentijd werd mij herhaaldelijk op het hart gedrukt mijn bevindingen niet aan anderen te onthullen. Bijvoorbeeld, in een brief van het Besturende Lichaam gedateerd 17 januari 1978 werd de volgende waarschuwing gegeven:

Echter, ongeacht hoe sterk de argumentatie mag zijn ter ondersteuning van die zienswijzen, ze moeten, voor dit moment, worden beschouwd als jouw persoonlijke zienswijze. Het is niet iets waarover je zou moeten praten of zou proberen naar voren te brengen bij andere leden van de gemeente.[7]

En verder in een brief gedateerd 15 mei 1980, stelden zij:

We zijn er zeker van dat je begrijpt dat het niet gepast voor je zou zijn om jouw zienswijzen en conclusies over chronologie, die zo verschillen van die door het Genootschap zijn gepubliceerd, tot uitdrukking te brengen om ernstige vragen en problemen onder de broeders te doen rijzen.[8]

Ik accepteerde zulk advies, aangezien mij de indruk werd gegeven dat mijn geestelijke broeders op het hoofdbureau van de Wachttoren tijd nodig hadden om het hele onderwerp grondig aan een heronderzoek te onderwerpen. In hun eerste reactie op mijn verhandeling, gedateerd 19 augustus 1977, hadden ze vermeld: "Het spijt ons dat de werkdruk hier ons tot op heden nog niet heeft toegestaan het de aandacht te geven die we eraan zouden willen geven." En in de brief van 17 januari 1978 schreven ze:

We hebben tot nu toe nog niet de gelegenheid gehad dit materiaal te onderzoeken, aangezien andere urgente zaken onze aandacht hebben. We zullen het materiaal echter inzien wanneer we de gelegenheid daartoe hebben... Je kunt ervan verzekerd zijn dat jouw zienswijzen door verantwoordelijke broeders zullen worden onderzocht... We hopen te zijner tijd jouw verhandeling te beschouwen en de inhoud ervan te evalueren.

Oordelend op basis van deze en soortgelijke uitspraken, leken Wachttoren functionarissen bereid de informatie die hun was voorgelegd eerlijk en objectief te onderzoeken. In een kort tijdsbestek nam de hele kwestie echter een totaal verschillende wending.


Verhoor en smaad

Vroeg in augustus 1978 hield Albert D. Schroeder, een lid van het Besturende Lichaam, een bijeenkomst in Europa met vertegenwoordigers van Europese Wachttoren-bijkantoren. Op die vergadering vertelde hij de toehoorders dat er zowel binnen als buiten de beweging een campagne plaatsvond om de 607 v.G.T. — 1914 G.T.-chronologie van het Genootschap omver te werpen.[9] Het Genootschap had echter niet de intentie deze af te schaffen, stelde hij.

Drie weken later, op 2 september, werd ik opgeroepen voor een verhoor door twee vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap in Zweden, Rolf Svensson, één van de twee districtsopzieners in het land, en Hasse Hulth, een kringopziener. Er werd mij verteld dat het bijkantoor van het Genootschap hen de opdracht had gegeven tot het houden van zulk een verhoor, omdat "de broeders" op het hoofdbureau in Brooklyn diep bezorgd waren over mijn verhandeling. Wederom werd ik gewaarschuwd de informatie die ik had verzameld niet te verspreiden. Rolf Svensson vertelde me ook dat het Genootschap er geen behoefte aan had en niet wilde dat individuele Jehovah's Getuigen betrokken raakten in dit soort onderzoek.

Deels ten gevolge van deze bijeenkomst, deed ik afstand van mijn positie als ouderling in de plaatselijke gemeente van Jehovah's Getuigen en ook van al mijn andere taken en toewijzingen in de gemeente en de kring. Ik deed dit in de vorm van een lange brief, gericht aan de plaatselijke ouderlingen en de kringopziener, Hasse Hulth, waarin ik de redenen voor het standpunt dat ik innam kort uitlegde. Spoedig werd het wijd en zijd bekend onder mijn Getuigen broeders in verschillende delen van Zweden dat ik de chronologie van het Genootschap had verworpen.

In de daarop volgende maanden, begonnen ik en anderen die de chronologie hadden betwijfeld te worden veroordeeld, zowel privé als vanaf het podium van Koninkrijkszalen (gemeentelijke vergaderplaatsen) en op Getuigencongressen. We werden publiekelijk afgeschilderd in de meest negatieve bewoordingen zoals "opstandig", "aanmatigend", "valse profeten", "kleine profeetjes die hun eigen kleine chronologie hebben bedacht" en "ketters". We werden "gevaarlijke elementen in de gemeenten" genoemd, "boze slaven", "godslasteraars" en ook "immorelen, wettelozen". Sommige Getuigenbroeders, waaronder een aantal van de reizende vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap, hadden in de privé-sfeer gesuggereerd dat we "door demonen bezeten" waren, dat we "het Genootschap met kritiek hadden overspoeld" en dat we "al lang zouden moeten zijn uitgesloten". Dit zijn slechts enkele voorbeelden van wijdverbreide laster, die sinds die tijd is blijven bestaan, hoewel, duidelijk om juridische redenen, geen namen ooit publiekelijk zijn genoemd.

Dat zulke duidelijke laster niet slechts een plaatselijk fenomeen was, maar de sanctie had van het Besturende Lichaam van Jehovah's Getuigen, werd duidelijk door soortgelijke uitspraken die werden afgedrukt in De Wachttoren.[10]

Deze beschrijving van de situatie zoals die zich ontwikkelde, wordt niet gegeven om Jehovah's Getuigen als individuele personen te bekritiseren. Deze mensen zijn gewoonlijk vriendelijk en oprecht in hun geloof. De beschrijving is veeleer gegeven om te illustreren hoe makkelijk iemand onwillekeurig ten prooi kan vallen aan de irrationele, psychologische reactie zoals die eerder in de introductie is omschreven. In een brief aan Albert D. Schroeder, gedateerd 6 december 1978, beschreef ik de nieuwe wending van gebeurtenissen en vestigde de aandacht op het trieste feit dat, hoewel mijn verhandeling was opgesteld met de grootste zorgzaamheid en in alle oprechtheid naar het Genootschap was opgestuurd, ik het slachtoffer was geworden van achterklap, kwaadsprekerij en karaktermoord:

Hoe tragisch is het dan om te zien hoe de situatie zich ontwikkelt, waarbij de aandacht wordt afgeleid van de vraag die werd gesteld — de geldigheid van 607 v.G.T. — en wordt gevestigd op de persoon die hem stelde en hij — niet de vraag — als het probleem wordt beschouwd! Hoe is het mogelijk dat een situatie van deze aard zich voordoet in onze beweging?

Het antwoord op deze vraag, waarop het Genootschap nooit officieel reageerde, moet worden gezocht in het psychologische verdedigingsmechanisme zoals beschreven door Dr. H. Dale Baumbach:

Wanneer onzekere personen worden geconfronteerd met een probleem dat hun onzekerheid juist doet uitkomen, reageren zij instinctief met te trachten datgene te vernietigen wat hun onzekerheid aanspreekt of het te verbannen naar de uithoeken van de geest.[11]

Bewustzijn van dit verdedigingsmechanisme zal degenen die verbonden zijn met Jehovah's Getuigen hopelijk helpen het bewijsmateriaal dat in dit werk wordt gepresenteerd met gepaste aandacht en een open geest te onderzoeken.

Uiteindelijk deed het Wachttorengenootschap een poging het bewijsmateriaal tegen 607 v.G.T. te weerleggen, maar dat werd pas gedaan nadat een speciale vertegenwoordiger van het Besturende Lichaam in Zweden het Genootschap hun had geschreven een antwoord te verschaffen op de inhoud van de verhandeling die naar hen was gestuurd, terwijl hij uitlegde dat de schrijver ervan nog altijd wachtte op een antwoord. Deze vertegenwoordiger was de coärdinator van het werd van het Genootschap in Zweden, Bengt Hanson.

Hanson had mij op 11 december 1979 bezocht om de situatie die zich had ontwikkeld te bespreken. Tijdens onze discussie werd het hem duidelijk dat het bewijsmateriaal tegen 607 v.G.T. dat ik had voorgelegd aan het Genootschap, het werkelijke onderwerp was — niet ikzelf, mijn motieven of houding. Als het bewijsmateriaal tegen 607 v.G.T. valide was, zou dat een probleem zijn dat van gelijk belang was voor elke Getuige binnen de organisatie. Onder dergelijke omstandigheden waren mijn persoonlijke houding en motieven net zo irrelevant als die van andere Getuigen.

Ten gevolge hiervan schreef Hanson vroeg in 1980 naar het Besturende Lichaam, terwijl hij de situatie uitlegde en tegen hen zei dat ik nog altijd wachtte op een antwoord op het bewijsmateriaal dat ik tegen hun chronologie had ingebracht. En dus werd tenslotte, bijna drie jaar nadat ik mijn onderzoek-materiaal had opgestuurd, in een brief gedateerd 28 februari 1980, een poging gedaan de vraag aan te pakken in plaats van degene die hem stelde.

De aangevoerde argumenten bleken echter uit niet veel meer te bestaan dan een herhaling van eerdere argumenten die op verschillende plaatsen in de lectuur van het Wachttorengenootschap kunnen worden gevonden, argumenten waarvan in de verhandeling reeds was aangetoond dat deze niet voldoen. In een brief gedateerd 31 maart 1980 beantwoordde ik hun argumenten en voegde twee nieuwe lijnen van bewijsvoering toe tegen 607 v.G.T. Aldus faalde het Genootschap niet alleen haar standpunt succesvol te verdedigen, maar werd daarnaast het bewijsmateriaal ertegen aanzienlijk sterker.

Het Genootschap deed geen poging meer met de kwestie om te gaan, totdat in de zomer van 1981 een korte bespreking ervan verscheen in de vorm van een "Appendix" van het boek "Uw Koninkrijk kome" (pagina 186-189). Deze laatste bespreking voegde niets toe aan de eerdere argumenten en voor een ieder die het onderwerp van klassieke chronologie nauwkeurig heeft bestudeerd is dit niets meer dan een zwakke poging om een onhoudbare stelling te redden door feiten te verbergen. Dit wordt duidelijk aangetoond in het laatste hoofdstuk van het huidige boek, getiteld "Pogingen om onder de bewijslast uit te komen". De inhoud van de "Appendix" van het Wachttorengenootschap overtuigde mij er uiteindelijk van dat de leiders van deze organisatie duidelijk niet bereid waren de feiten de traditionele fundamentele doctrines te laten verstoren.


"Wachten op Jehovah"

Er kan worden opgemerkt dat terwijl de functionarissen zich volledig vrij voelen elk argument ter ondersteuning van hun chronologie te publiceren, zij alle mogelijke moeite hebben genomen om Jehovah's Getuigen in het algemeen onkundig te houden van de enorme bewijslast ertegen. Aldus hebben ze niet alleen mij herhaaldelijk gemaand mijn bewijslast tegen 607 v.G.T. met niemand te delen, maar hebben ze ook de wijdverbreide laster ondersteund van iedere Jehovah's Getuige die aan de chronologie van de organisatie twijfelde. Deze handelwijze is niet alleen oneerlijk tegenover degenen die deze twijfels hadden, maar ook zeer oneerlijk tegenover Jehovah's Getuigen in het algemeen. Zij hebben een recht om beide zijden van de kwestie te vernemen en alle feiten te leren kennen. Dat is waarom ik het besluit nam "De Tijden der Heidenen opnieuw beschouwd" te publiceren.

Het is interessant dat verschillende argumenten door vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap naar voren zijn gebracht om het standpunt te verdedigen dat feiten en bewijsmateriaal die haar leringen tegenspreken niet bekend zouden mogen worden onder Jehovah's Getuigen. Eén redenatie verloopt via deze lijn: Jehovah onthult de waarheid geleidelijk door zijn "getrouwe en beleidvolle slaaf"-klasse, die Christus over "al zijn bezittingen" heeft aangesteld." (Matthéüs 24:47, NW) Deze "slaaf"-klasse uit zichzelf door middel van degenen die het opzicht hebben over het uitgeven en schrijven van Wachttoren-lectuur. We zouden daarom moeten wachten op Jehovah — in andere woorden, wachten totdat de organisatie "nieuwe waarheden" publiceert. Een ieder die "vooruitloopt" op de organisatie is daarom aanmatigend, want hij denkt dat hij het beter weet dan "de getrouwe en beleidvolle slaaf".

Een dergelijk argument gaat echter niet op als de supposities van het Genootschap met betrekking tot de Bijbelse chronologie niet kloppen. Hoe dat zo? Omdat het concept zelf, dat het vandaag de dag mogelijk zou zijn een "getrouwe en beleidvolle slaaf"-klasse te identificeren, die Christus, als de "Meester" in de parabel van Matthéüs 24:45-47, heeft aangesteld "over al zijn bezittingen" onmiskenbaar is gebaseerd op de chronologische berekening dat de "meester" arriveerde in 1914 en een dergelijke aanstelling enige jaren later, in 1919, deed. Als de Tijden der Heidenen niet eindigden in 1914, zoals in dit boek zal worden aangetoond, dan verdwijnt daarmee de basis voor de bewering dat Christus in dat jaar terugkwam en kunnen de leiders van de Wachttoren er geen aanspraak op maken in 1919 "over al zijn bezittingen" te zijn aangesteld. Als dit zo is, dan kunnen zij ook niet rechtmatig beweren een goddelijk-toegewezen alleenrecht te bezitten op het publiceren van "de waarheid".

Er dient ook te worden opgemerkt dat het de "meester" van de parabel is, die bij zijn aankomst beslist wie "de getrouwe en beleidvolle slaaf" is, niet de slaven zelf. Dus is de bewering van een groep personen — bij absentie van de "meester" — "de getrouwe en beleidvolle slaaf" te zijn, zichzelf daarmee verheffend boven alle "bezittingen" van de meester, op zichzelf genomen al uitgesproken aanmatigend. Aan de andere kant kan van een persoon die voor zichzelf geen verheven positie opeist, moeilijk gezegd worden dat hij aanmatigend is alleen omdat hij informatie publiceert die enkele leerstellingen van het Wachttorengenootschap tegenspreekt.

Natuurlijk is "wachten op Jehovah" de plicht van iedere Christen. Ongelukkigerwijs heeft het Wachttorengenootschap, zoals zo vele apocalyptische bewegingen, keer op keer "aangekondigd" dat de tijd voor de vervulling van Gods profetieën was gekomen, terwijl ze dit in alle gevallen deden zonder rekening te houden met Gods eigen "tijden en tijdperken" voor hun vervulling. Dit is telkens het geval geweest sinds het allereerste begin in de jaren rond 1870.

Toen de leiders van de Wachttorenbeweging tot ongeveer 55 jaar geleden (1876-1931) nadrukkelijk onderwezen dat Christus onzichtbaar was wedergekomen in 1874, gaven zij toen het juiste voorbeeld van "wachten op Jehovah"?

Toen zij onderwezen dat het "overblijfsel" van Christus' kerk zou worden "weggerukt" (1 Thessalonicenzen 4:17), eerst in 1878, toen in 1881, toen in 1914, toen in 1915, toen in 1918 en toen wederom in 1925, was dat "wachten op Jehovah" van hun zijde?[12]

Toen zij onderwezen dat het einde van het huidige samenstel van dingen zou komen in 1914, toen in 1918-1920, toen in 1925, toen in ongeveer 1941-42 en toen wederom in 1975, was dat "wachten op Jehovah" van hun zijde?[13]

Als 1914 niet het eindpunt is van de "Tijden der Heidenen" zoals het Wachttorengenootschap nog altijd volhoudt, dan zijn de talloze huidige "profetische" toepassingen die daarop zijn geënt aanvullende bewijzen dat het Genootschap nog steeds niet bereid is te "wachten op Jehovah". In dat licht en onder die omstandigheden schijnt het nogal misplaatst anderen te adviseren te "wachten op Jehovah". Degene die werkelijk op Jehovah wil wachten, kan eenvoudig niet wachten totdat de leiders van het Wachttorengenootschap daartoe bereid zijn. Als hij, na zorgvuldige beschouwing van het bewijsmateriaal, tot de conclusie komt dat het Wachttorengenootschap, binnen het raamwerk van haar chronologie, een duidelijk arbitraire "vervulling" van Bijbelprofetieën in onze tijd heeft voortgebracht, dan dient hij zichzelf te distantiëren van de voortdurende pogingen om die arbitraire stelling bij anderen op te leggen als vereist geloof. Dan zou er met recht gezegd kunnen worden dat hij bereid is te beginnen met "wachten op Jehovah".


De uitstoting

Reeds meer dan een eeuw staan de publicaties van de Wachttoren vol met heftige en onophoudelijke kritiek op de fouten en het kwaad van andere Christelijke denominaties. Zelfs al was deze kritiek vaak veralgemenend en oppervlakkig, niet zelden raakte ze het doel ook nog. De Wachttoren-lectuur heeft vaak de onverdraagzaamheid gehekeld die in het verleden door verschillende kerken tegen dissidente leden aan de dag werd gelegd. "De Christenheid kent haar fanatici — variërend van mensen die zich uit politiek protest in brand steken tot personen die onverdraagzaam handelen jegens hen die er een andere religieuze zienswijze op na houden," merkte De Wachttoren van 15 juli 1987, pagina 28 op. Deze vorm van onverdraagzaamheid werd op schrikwekkende manier tot uitdrukking gebracht gedurende de Inquisitie, die in de 13e eeuw door de Rooms Katholieke Kerk werd ingesteld en meer dan zes eeuwen voortduurde.

Het woord "Inquisitie" is afgeleid van het Latijnse inquisitio, wat "ondervraging" betekent. Het wordt kort omschreven als "een rechtbank die door de Rooms Katholieke Kerk werd ingesteld om ketters en afvalligen te ontdekken en straffen".[14] Wat was de toestand van de mensen onder deze onverdraagzame kerkelijke heerschappij? De Wachttoren van 1 september 1989, legt op pagina 3 uit:

Niemand was vrij om God te aanbidden zoals hij dat wilde of om een mening te uiten die in strijd was met die van de geestelijkheid. Deze klerikale onverdraagzaamheid schiep in heel Europa een klimaat van vrees. De kerk voerde de inquisitie in om allen te elimineren die de moed hadden er een andere zienswijze op na te houden.

Zulke uitspraken zouden de indruk kunnen wekken dat het Wachttorengenootschap, in tegenstelling tot de Rooms Katholieke Kerk in de middeleeuwen, tolerant handelt tegenover leden die "er een andere zienswijze op na houden" en hun recht op het uitspreken van meningen die conflicteren met de leerstellingen van de organisatie, verdedigt. De waarheid is echter dat deze organisatie precies dezelfde houding aanneemt tegenover leden met andere religieuze zienswijzen als de middeleeuwse Katholieke Kerk. "Wees op uw hoede voor degenen die hun eigen andersluidende meningen naar voren brengen," waarschuwde De Wachttoren van 15 maart 1986 (pagina 17). In antwoord op de vraag "waarom Jehovah's Getuigen sommigen die nog steeds belijden in God, de bijbel en Jezus Christus te geloven, uit de gemeenschap hebben gesloten (geëxcommuniceerd) wegens afval", zei het Wachttorengenootschap:

Degenen die een dergelijk bezwaar opperen, wijzen erop dat veel religieuze organisaties die christelijk beweren te zijn, afwijkende zienswijzen toestaan ... Zulke voorbeelden verschaffen ons echter geen basis hetzelfde te doen... Het onderwijzen van afwijkende of uiteenlopende zienswijzen strookt niet met het ware christendom.[15]

Het Wachttorengenootschap heeft zelfs onderzoeksrechtbanken in het leven geroepen, gelijk aan die door de Rooms Katholieke Kerk in de middeleeuwen werden georganiseerd, met als enige essentiële verschil dat de "rechterlijke comités" van het Genootschap geen juridische bevoegdheid hebben om hun slachtoffers fysiek te martelen. Ik wist dat de conclusies die ik had bereikt er uiteindelijk toe zouden leiden dat ik door een dergelijke "inquisitierechtbank" zou worden verhoord en uitgestoten, wanneer ik daarvoor de organisatie al niet op eigen initiatief zou hebben verlaten.

Na zesentwintig jaar een actieve Jehovah's Getuige te zijn geweest, was ik nu, in 1982, bereid de Wachttoren-organisatie te verlaten. Het was me volkomen duidelijk dat dit een volledige breuk zou betekenen met de totale sociale wereld waarvan ik al die jaren deel was geweest. De regels van het Wachttorengenootschap vereisen van Jehovah's Getuigen dat zij alle contacten met degenen die hebben gebroken met de organisatie afkappen, of die breuk nu plaatsvindt door excommunicatie of door vrijwillige terugtrekking. Ik wist dat ik niet alleen vrijwel al mijn vrienden zou verliezen, maar ook al mijn verwanten binnen de organisatie (waarvan drie meer dan zeventig jaar oud waren, waaronder een broer en twee zusters met hun gezinnen, neven en hun gezinnen, enzovoort). Ik zou beschouwd en behandeld worden als "dood", zelfs al zou mijn fysieke "executie" uitgesteld worden tot de naderende "oorlog van Armageddon", een oorlog waarvan de Getuigen verwachten dat Jehovah God daarin al degenen die niet verbonden zijn met hun organisatie voor eeuwig zal vernietigen.[16]

Gedurende enige tijd had ik getracht mijzelf emotioneel voor te bereiden op deze breuk. Mijn plan was mijn verhandeling te publiceren als een publiekelijk vaarwel aan de beweging. Ik kreeg het materiaal echter niet op tijd klaar voor publicatie voordat een brief arriveerde van het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Zweden, gedateerd 4 mei 1982. De brief was een sommatie om voor een onderzoek voor een "rechterlijk comité" te verschijnen dat bestond uit vier vertegenwoordigers van het Genootschap, die, zoals de brief vermeldde, waren aangesteld om "erachter te komen wat jouw houding is tegenover ons geloof en de organisatie".[17]

Ik realiseerde me dat mijn dagen binnen de organisatie nu geteld waren en dat het mogelijk was dat ik mijn verhandeling niet op tijd klaar zou hebben voor publicatie. In een brief aan het bijkantoor probeerde ik de bijeenkomst met het rechterlijk comité te laten opschorten. Ik wees erop dat zij heel goed wisten dat de gronden voor mijn "houding tegenover ons geloof en de organisatie" bestond uit het bewijsmateriaal dat ik had getoond tegen de chronologie van het Genootschap en dat, als zij werkelijk mijn houding wilden veranderen, zij moesten beginnen met de berg bewijzen die er de basis voor was. Ik verzocht daarom dat de leden van het comité werd toegestaan een grondig onderzoek te maken van mijn verhandeling. Daarna zou het wellicht mogelijk zijn een zinvolle bijeenkomst te hebben.

Maar het bijkantoor noch de vier leden van het rechterlijke comité toonden enige interesse in de soort discussie die ik had voorgesteld en ze gaven niet eens reactie op de voorwaarden die ik had gesteld om tot een zinvolle bijeenkomst met hen te komen. In een korte brief herhaalden zij eenvoudig de sommatie tot een rechterlijk onderzoek. Het scheen duidelijk dat ik al bij voorbaat was veroordeeld en dat het proces waarvoor ik werd gesommeerd slechts een zinloze en macabere schijnvertoning zou worden. Ik verkoos daarom niet voor het onderzoek te verschijnen en werd derhalve bij verstek veroordeeld en uitgesloten op 9 juni 1982.

Om tijd te winnen ging ik tegen de beslissing in beroep. Een zogenoemd "beroepscomité" van vier leden werd aangesteld en opnieuw herhaalde ik in een brief de voorwaarden die ik redelijk vond om een zinvolle conversatie met hen te bereiken. De brief werd niet eens beantwoord. Op 7 juli 1982 kwam het nieuwe comité daarom bij elkaar voor een tweede namaakproces bij verstek en zoals verwacht bekrachtigde het de beslissing van het eerste comité eenvoudig. In beide gevallen was het enige "rechterlijke" onderwerp duidelijk: was ik het wel of niet volledig eens met de leerstellingen van de Wachttoren? De vraag of de redenen voor mijn standpunt wel of niet valide waren werd eenvoudig als irrelevant beschouwd.


Zijn de conclusies geloofsverwoestend?

Zoals eerder opgemerkt werpen de conclusies die in dit boek worden getrokken de centrale aanspraken en apocalyptische interpretaties van het Wachttorengenootschap omver. Zulke conclusies zouden daarom enige onrust kunnen veroorzaken onder Jehovah's Getuigen en de leiders van het Genootschap waren er duidelijk bang voor dat de verbreiding ervan de eenheid van hun kudde zou kunnen verstoren. Ik was mij er terdege van bewust dat mijn pogingen door Wachttoren-functionarissen zou worden geïnterpreteerd als een poging geloof te verwoesten en de eenheid van de "ware Christelijke gemeente" te verstoren. Maar geloof dient juist in harmonie te zijn met waarheid, met feiten, met inbegrip van historische feiten. Derhalve was ik er gerust op dat het publiceren van de feiten over het onderliggende onderwerp de vrede en eenheid onder degenen die ware Christenen zijn, niet zou kunnen verstoren. Ware eenheid is gebaseerd op liefde onder hen, want liefde is de "volmaakte band van eenheid". — Kolossenzen 3:14.

Aan de andere kant bestaat er ook een valse eenheid, die niet is gebaseerd op liefde, maar op angst. Dergelijke "eenheid" is kenmerkend voor autoritaire organisaties, zowel politieke als religieuze. Het is een mechanistische eenheid die wordt opgelegd door de leiders van dergelijke organisaties die hun autoriteit willen handhaven en de leiding willen hebben over personen — een eenheid die niet van waarheid afhankelijk is. In dergelijke organisaties dragen personen hun recht en verantwoordelijk om de deken, spreken en vrijelijk te handelen over aan de centrale autoriteiten. Aangezien het bewijsmateriaal en de conclusies die in dit werk worden getoond de aanspraak van het Wachttorengenootschap op autoriteit omver werpen, zou de publicatie van dit werk mogelijk als een bedreiging gezien kunnen worden van de opgelegde eenheid binnen deze organisatie. Maar de ware eenheid onder Christelijke personen die is gebaseerd op liefde, onder degenen die "deelhebben met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus", zal hierdoor zeker niet worden aangetast. — Johannes 17:21-23; 1 Johannes 1:3.

Dus zelfs al zouden de profetische aanspraken en interpretaties van het Wachttorengenootschap op drijfzand blijken te stoelen, niets van werkelijke waarde zal verloren zijn wanneer deze dingen wegzakken en verdwijnen. Een Christen heeft nog altijd Gods Woord, de ware bron van waarheid en hoop. Christus is nog altijd zijn Heer, zijn enige hoop voor toekomstig leven. En hij zal nog altijd kunnen genieten van Christelijke vrede en eenheid, met zijn Vader, met Jezus Christus en met die personen op aarde die zijn ware broeders en zusters blijken te zijn. Zelfs als hij uit een autoritair religieus zou worden gestoten omdat hij accepteert waarvan hij duidelijk ziet dat het waar is, zal Christus hem niet in de steek laten, want hij zei: "Waar twee of drie mensen in mijn naam bij elkaar zijn, ben ik zelf bij hen." (Johannes 9:30, 34-39; Matthéüs 18:20, GNB) Het antwoord op de vraag: "Waar zullen we heengaan zonder de organisatie?" is nog steeds hetzelfde als in de tijd van de apostelen toen Petrus zei: "Heer, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven." (Johannes 6:68) Het is Christus, niet een organisatie, die "woorden van eeuwig leven" heeft.[18]

In de jaren die zijn verstreken sinds dit onderzoek begon, heb ik kennis gemaakt, persoonlijk of per brief, met een groeiend aantal Jehovah's Getuigen op verschillende niveaus van de Wachttoren-organisatie die de kwestie van chronologie grondig hebben onderzicht en onafhankelijk tot dezelfde conclusies zijn gekomen als die worden gepresenteerd in dit werk. Sommigen hiervan hebben verwoede pogingen in het werk gesteld de chronologie van het Genootschap te verdedigen, voordat ze door het bijbelse en historische bewijsmateriaal werden gedwongen deze te laten varen. Daaronder waren leden van het onderzoek-comité die waren aangesteld om het Bijbels woordenboek van het Genootschap, Hulp tot begrip van de Bijbel, te vervaardigen. De sectie over chronologie in de Engelse versie (Aid to Bible Understanding) van dat werk op pagina 322 tot en met 348 is nog steeds de meest competente en grondige bespreking van de chronologie van de Wachttoren die ooit is gepubliceerd door die organisatie.[19] Toch kwam de persoon die het artikel schreef uiteindelijk tot het besef dat de datum van het Genootschap voor de val van Jeruzalem door de Babyloniërs, 607 v.G.T., niet kon worden verdedigd en later liet hij deze volledig varen, met alle berekeningen en leerstellingen die erop gebaseerd zijn. In een brief die hij me schreef, merkte hij op:

In de uitwerking van het onderwerp 'Chronologie' voor Hulp tot begrip van de Bijbel, vormde de Neo-Babylonische periode, die zich uitstrekt van de regering van Nebukadnezars vader Nabopolassar tot de regering van Nabonidus en de val van Babylon, een bijzonder probleem. Als Jehovah's Getuigen waren we er uiteraard in geïnteresseerd enig bewijsmateriaal, hoe klein ook, te vinden en presenteren ter ondersteuning van het jaar 607 v.G.T. als de datum voor de vernietiging van Jeruzalem in Nebukadnezars achttiende jaar. Ik was mij terdege bewust van het feit dat historici consequent verwijzen naar een punt dat zo'n twintig jaar later was en dat zij het begin van de regering van Nebukadnezar plaatsen in 605 v.G.T. (zijn troonsbestijgingjaar) in plaats van 625 v.G.T., de datum die in Wachttoren-publicaties wordt gebruikt. Ik wist dat de datum 607 v.G.T. cruciaal was voor de interpretatie van het Genootschap om de 'zeven tijden' uit Daniël hoofdstuk 4 te laten wijzen naar het jaar 1914 G.T.

Een grote hoeveelheid onderzoek werd voor deze poging verricht. In die tijd (1968) was Charles Ploeger, een lid van de staf van het hoofdbureau van de Wachttoren, aan mij als assistent toegewezen. Hij bracht vele weken door in de bibliotheken van New York City, op zoek naar enige bronnen van informatie die wellicht enige validiteit konden geven aan de datum 607 v.G.T. voor de vernietiging van Jeruzalem. We gingen ook naar de Brown University voor een gesprek met Dr. A.J. Sachs, een specialist in astronomische teksten die betrekking hebben op de Neo-Babylonische en aangrenzende perioden. Geen enkele van deze pogingen bracht enig bewijsmateriaal voort ter ondersteuning van 607 v.G.T.

Met het oog hierop wijdde ik bij het schrijven van het artikel over 'Chronologie' een aanzienlijk deel van het materiaal aan pogingen om de onzekerheden die bestaan in oude historische documenten aan te tonen, met inbegrip van Babylonische bronnen, maar ook Egyptische, Assyrische en Medo-Perzische. Hoewel ik nog steeds geloof dat een aantal van de gepresenteerde punten betreffende zulke onzekerheden valide zijn, weet ik dat de argumentatie werd voortgebracht vanuit een verlangen een datum vast te houden waarvoor eenvoudig geen historisch bewijsmateriaal is. In feite zou ik niet aarzelen, als het historische bewijsmateriaal sommige duidelijke uitspraken in de Schrift zou tegenspreken, het Schriftuurlijke verslag als betrouwbaarder te beschouwen. Maar ik realiseer me dat het onderwerp niet een contradictie met een duidelijke Schriftuurlijke uitspraak is, maar een contradictie met een interpretatie die op delen van de Schrift is toegepast, die er een betekenis aan geven die niet wordt vermeld in de Schrift zelf. De onzekerheden die in dergelijke menselijke interpretaties kunnen worden gevonden staan zeker gelijk aan de onzekerheden die gevonden kunnen worden in chronologische verslagen van oude geschiedenis.[20]


Dankbetuigingen

Voordat deze introductie wordt afgesloten, zou ik graag de vele kenners over de gehele aarde, van wie sommigen ten tijde van het schrijven van deze verhandeling nog steeds actieve Jehovah's Getuigen waren, willen bedanken door hun aanmoediging, suggesties, kritiek en vragen, waardoor zij aanzienlijk hebben bijgedragen aan deze verhandeling. De eerste hiervan die ik dien te vermelden is Rud Persson uit Ljungbyhed, Zweden, die vanaf een vroeg stadium heeft geparticipeerd in het werk en die meer dan iemand anders in dit opzicht heeft meegeholpen. Andere vrienden met een gelijke achtergrond, in het bijzonder James Penton en Raymond Franz, zijn mij in grote mate van dienst geweest bij het voorbereiden van het boek voor publicatie door mijn Engels en grammatica bij te schaven.

Met betrekking tot de ideo-historische sectie (hoofdstuk één), stimuleerde mijn contact met de Zweedse geleerde Dr. Ingemar Lindén mijn interesse en zette mij aan tot onderzoek in dit gebied. Richard Rawe uit Soap Lake, Washington en Alan Feuerbacher, Beaverton, Oregon (nu in GenĀve, Zwitserland) hebben mij ook belangrijke documenten verschaft voor deze sectie. Voor de hoofdstukken over Neo-Babylonische chronologie (hoofdstukken drie en vier) is het contact met de autoriteiten op het gebied van Babylonisch spijkerschrift onmisbaar geweest. Dit is vooral van toepassing op Professor D.J. Wiseman uit Engeland, die een leidend expert is in de Neo-Babylonische periode; de heer C.B.F. Walker, waarnemend conservator van de afdeling van West-Aziatische oudheden in het British Museum, Londen; Professor Abraham J. Sachs in de VS; Professor Hermann Hunger uit Oostenrijk, die sinds de dood van Abraham Sachs in 1983 de leidend expert is in Babylonische astronomische observatieteksten; en Dr. Béatrice André van het Louvre in Parijs. Tenslotte zijn voor de exegetische secties (hoofdstukken 5-7) een aantal kundige linguïsten en Hebraïsten bereid geweest hun expertise te delen, in het bijzonder Dr. Seth Erlandsson uit Västerås, Zweden; Professor Tryggve Mettinger uit Lund, Zweden; en Dr. Tor Magnus Amble en Dr. Hans M. Barstad, beiden uit Olso, Noorwegen.

Allereerst gaat mijn dank echter uit naar de God van de Bijbel, die in het Oude Testament vanaf de tijd van Mozes de persoonlijke naam Jahweh of Jehovah draagt, maar die we in het Nieuwe Testament ontmoeten en kunnen benaderen als onze hemelse Vader, aangezien dit onderzoek is verricht onder voortdurend gebed om zijn hulp en begrip. Alle eer gaat naar Hem, aangezien het zijn Woord van waarheid is dat de basis is geweest voor deze studie. Hoewel zekere religieuze theorieën en interpretaties onhoudbaar bevonden zullen worden en dienen te worden verworpen, zijn profetische Woord werd keer op keer bevestigd gedurende het bijbelse en historische onderzoek dat in verband stond met de onderwerp dat besproken wordt. Deze geloofsversterkende ervaring was een werkelijke en blijvende zegen voor mij. Ik hoop dat de lezen op soortgelijke wijze gezegend zal worden.

 

Carl Olof Jonsson
Göteborg, Zweden, 1982
Herzien in 1998

Voetnoten:

 

  1. ^ De aanduidingen "v.G.T." (voor Gewone Tijdrekening) en "G.T." (Gewone Tijdrekening), gewoonlijk gebruikt door Jehovah's Getuigen, komen overeen met "v.Chr." en "n.Chr." Ze worden vaak gebruikt in wetenschappelijke literatuur, in het bijzonder door Joodse auteurs en zijn overgenomen door het Wachttorengenootschap, zoals zal blijken uit de citaten uit Wachttorenpublicaties die hierna zullen worden geciteerd. Uit het oogpunt van consistentie worden deze aanduidingen v.G.T. en G.T. regelmatig gebruikt in dit werk, met uitzondering van waar in het geciteerde materiaal de aanduidingen v.Chr. en n.Chr. worden gebruikt.
  2. ^ Cursivering en nadruk toegevoegd. De voormalige president van het Wachttorengenootschap, Frederick W. Franz, beklemtoonde, tijdens de ochtend Bijbelbespreking voor de familie op het hoofdbureau van 17 november 1979, zelfs nog krachtiger het belang van de 1914-datum door te zeggen: "Het enige doel van ons bestaan als Genootschap bestaat uit het aankondigen van het in 1914 opgerichte Koninkrijk en om de waarschuwing voor de val van Babylon de Grote te doen weerklinken. We hebben een speciale boodschap te brengen." (Raymond Franz, In Search of Christian Freedom, Atlanta: Commentary Press, 1991, pp. 32, 33).
  3. ^ De Wachttoren, 1 januari 1988, pp. 10, 11.
  4. ^ De Wachttoren, 1 september 1985, pp. 24, 25.
  5. ^ De Wachttoren, 15 juni 1982, p. 27. In De Wachttoren van 15 juli 1992, pagina 12, worden dissidenten omschreven als "vijanden van God" die "Jehovah intens haten." De Getuigen worden er daarom toe aangespoord hen "met een volkomen haat" te "haten." Deze aansporing werd herhaald in De Wachttoren van 1 oktober 1993, pagina 19, waar van de "afvalligen" wordt gesteld dat "het slechte zo ingeworteld" is geraakt in hen dat "slechtheid... een onlosmakelijk deel van hun persoonlijkheid is." De Getuigen worden zelfs aangemoedigd God te vragen hen te doden, in navolging van de psalmist David, die over zijn vijanden bad: "O dat gij, o God, toch de goddeloze zoudt doden!" Op die manier "laten [zij] het aan Jehovah over om wraak te oefenen." Zulke rancuneuze aanvallen op voormalige leden van de organisatie laat een houding zien die precies tegenovergesteld is aan die welke door Jezus in zijn Bergrede werd aanbevolen. — Matthéüs 5:43-48.
  6. ^ De Wachttoren, 1 april 1986, pp. 30, 31.
  7. ^ Namen van de auteurs van brieven van het Wachttorengenootschap worden nooit gegeven. In plaats daarvan worden interne symbolen gebruikt. Het symbool "GEA" in de linkerbovenhoek van deze brief toont dat de auteur Lloyd Barry was, één van de leden van het Besturende Lichaam.
  8. ^ Het symbool "EF" toont aan dat de schrijver van deze brief Fred Rusk van de Schrijfafdeling was.
  9. ^ Naast mijn verhandeling, die van binnen de beweging kwam, kan Schroeder twee niet-Getuige publicaties in gedachte hebben gehad die de chronologie van het Genootschap aanvallen: The Jehovah's Witnesses and Prophetic Speculation, van Edmund C. Gruss (Nutley, N.J.: Presbyterian and Reformed Publishing Co., 1972), en 1914 and Christ's Second Coming van William MacCarty (Washington, D.C.: Review and Herald Publishing Association, 1975).
  10. ^ Het verlaten van de 607 v.G.T. — 1914 G.T.-calculatie impliceert ook het verlaten van daarop gebaseerde interpretaties, zoals het idee dat Gods koninkrijk in 1914 werd opgericht en dat Christus' "onzichtbare tegenwoordigheid" begon in dat jaar. Over Jehovah's Getuigen die dergelijke zienswijzen niet huldigen, zegt De Wachttoren van 15 oktober 1979, pagina 15: "Wetteloze personen hebben zelfs geprobeerd de ware christelijke gemeente binnen te dringen door te beweren dat het thans niet de tijd is van de "beloofde tegenwoordigheid" van onze Heer... Jezus' waarschuwing in Matthéüs 7:15-23 heeft ook betrekking op dit soort van personen. Daar lezen wij: "Wacht u voor de valse profeten, die in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn... [Op die dag] zal ik hun... in het openbaar bekendmaken: Ik heb u nooit gekend! Gaat weg van mij, gij werkers der wetteloosheid." Verder zei De Wachttoren van 1 november 1980, pagina 19: "Petrus sprak ook over het gevaar dat men zich zou laten "meeslepen" door sommigen binnen de christelijke gemeente die "spotters" zouden worden, de vervulling van profetieën betreffende Christus' "tegenwoordigheid" niet al te ernstig zouden opvatten en een tartende houding ten aanzien van "de getrouwe en beleidvolle slaaf", het Besturende Lichaam van de christelijke gemeente en de aangestelde ouderlingen zouden aannemen." [Mijn cursivering.] Zie ook paragraaf 11 op dezelfde pagina en paragraaf 14 op pagina 21 van dezelfde uitgave.
  11. ^ Spectrum, Vol. 11, No. 4, 1981, p. 63. (Dit tijdschrift wordt uitgegeven door de Associations of Adventist Forums, Box 4330, Takoma Park, Maryland, U.S.A.) In de Awake! van 22 november 1984 (niet in de Nederlands uitgaven verschenen) wordt verklaard dat zulk gedrag een teken is van "een gesloten geest": "Bijvoorbeeld, wanneer we niet in staat zijn onze religieuze zienswijzen te verdedigen, kan het zijn dat we bemerken dat we degenen die onze overtuigingen betwijfelen een veeg uit de pan geven, niet met logische argumenten, maar met verdachtmakingen en insinuaties. Dat riekt naar vooroordeel en naar een gesloten geest." (Pagina 4; vergelijk ook de Ontwaakt! van 22 mei 1990, pagina 12.)
  12. ^ The Watch Tower, 1 februari 1916, p. 38; 1 september 1916, pp. 264, 265; 1 juli 1920, p. 203.
  13. ^ The Time Is At Hand(= deel 2 van de serie Schriftstudiën, uitgegeven in 1889), pp. 76-78; The Finished Mystery (= deel 7 van Schriftstudiën, uitgegeven in 1917), pp. 129, 178, 258, 404, 542; Millions Now Living Will Never Die! (1920), p. 97; The Watchtower, 9 september 1941, p. 288; Ontwaakt!, 22 april 1967, pp. 19, 20; De Wachttoren, 1 augustus 1968, pp. 464-466.
  14. ^ De Zweedse encyclopedie Nordisk Familjebok, deel 11 (Malmö: Förlagshuset Norden AB, 1953), p. 35.
  15. ^ De Wachttoren, 1 april 1986, pp. 30, 31.
  16. ^ De uitsluitingregels worden bijvoorbeeld besproken in De Wachttoren van 1 december 1981, pagina's 9-26 en in De Wachttoren van 15 april 1988, pagina's 27, 28. Met betrekking tot de ophanden zijnde vernietiging van het huidige wereldsamenstel, vermeldt De Wachttoren van 1 september 1989 op pagina 19: "Alleen Jehovah's Getuigen, zowel zij die tot het gezalfde overblijfsel als zij die tot de "grote schare" behoren, hebben als een verenigde organisatie onder de bescherming van de Opperste Organisator een schriftuurlijke hoop om het ophanden zijnde einde van dit ten ondergang gedoemde, door Satan de Duivel beheerste samenstel te overleven". (Vergelijk ook De Wachttoren van 15 september 1988, pagina's 14 en 15)
  17. ^ De actie werd waarschijnlijk ondernomen op verzoek van het hoofdbureau in Brooklyn, New York. Zoals Raymond Franz, die tot de lente van 1980 lid was van het Besturende Lichaam, mij nadien schreef in een brief gedateerd 7 augustus 1982: "Ik veronderstel dat het een uitgemaakte zaak was dat het Genootschap actie tegen je zou ondernemen. In mijn eigen geval had ik het gevoel dat het alleen een kwestie van tijd was wanneer ze iets aan mij zouden doen, ongeacht hoe gedeisd ik me zou houden. Ik twijfel er niet aan dat in jouw geval het Bijkantoor contact opnam met Brooklyn en het advies kreeg actie te ondernemen".
  18. ^ In de commentaren van het Wachttorengenootschap op deze tekst, verving men Christus als degene tot wie men moet gaan om "eeuwig leven" te vinden door de "organisatie". Zie bijvoorbeeld De Wachttoren van 15 mei 1981, pagina 19 en van 15 april 1982, pagina 31.
  19. ^ De Engelse versie van Hulp tot begrip van de Bijbel (Aid to Bible Understanding) werd in zijn totaliteit uitgegeven in 1971. Een enigszins herziene uitgave in twee delen werd in 1988 uitgegeven. Het belangrijkste nieuwe kenmerk is de toevoeging van visuele hulpmiddelen (kaarten, tekeningen, foto's, etc.), alle in kleur. De naam van het woordenboek was echter veranderd in Inzicht in de Schrift, klaarblijkelijk omdat de drie hoofdauteurs, Raymond Franz, Edward Dunlap en Reinhard Lenglat, het hoofdbureau in 1980 verlieten en dat twee van hen, Franz en Dunlap, vanwege hun afwijkende gezichtspunten waren uitgesloten. In de Nederlandse versie van Hulp tot begrip van de Bijbel (uitgegeven in 1992) was in de sectie 'Chronologie', pp. 240-258, reeds meer dan de helft van het materiaal uit de oorspronkelijke, Engelse versie geschrapt, wat ook in de sectie 'Chronologie' in Inzicht in de Schrift, deel 1, pp. 419-442, het geval is. De reden is waarschijnlijk het materiaal dat over het onderwerp werd voorgelegd in de verhandeling die in 1977 naar het hoofdbureau werd gestuurd, naast een erkenning van de magere basis voor de aanspraken van de organisatie.
  20. ^ Raymond Franz, voormalig lid van het Besturende Lichaam, schreef deze brief, gedateerd 12 juni 1982.

De Tijden der Heiden opnieuw beschouwd


Gerelateerd